nl
nl de en
Geopend | Dinsdag t/m zondag | 11:00 uur tot 17:00 uur
Tickets kopen

De jonge Toorop

31 mrt 2021

Toen Jan Toorop (Poerworedjo, 1858 – Den Haag, 1928) vanuit Nederlands-Indië naar Nederland kwam, had hij niet kunnen bevroeden dat hij zou uitgroeien tot één van de bekendste kunstenaars in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Zijn werk is tegenwoordig te vinden in Nederlandse en internationale museumcollecties. Ook bij particuliere verzamelaars is zijn werk nog altijd populair. Hij wordt gezien als de voorman van het Symbolisme. Zijn tekeningen en schilderijen uit de jaren 90 van de negentiende eeuw zijn te herkennen aan hun kenmerkende figuurkoppen en grillige lijnenspel. Zijn oeuvre is echter heel divers. Toorop hield van experimenteren, was steeds op zoek naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden. Pas in 1905, toen hij zich liet dopen in de rooms-katholieke kerk, vond hij enige berusting.

Amper elf jaar oud stapte Toorop aan boord van het schip dat hem naar Nederland zou brengen. Zijn vader wilde dat hij een opleiding volgde voor een administratieve baan. Toorop tekende er toen al op los: vissen en landschappen die hij zag op reizen die hij met zijn vader maakte, en marineofficieren. Dat hij ook kunstenaar kon worden, kwam niet in hem op. Toorop verbleef eerst in Leiden alvorens hij in 1874 naar Winterswijk verhuisde. Hier tekende hij de bloemen en planten in de botanische tuin van de Rijks Hoogere Burgerschool, waar Toorop bovendien tekenles kreeg van G.W. Schut. Schut zou later ook Piet Mondriaan onder zijn vleugels nemen. Ook ging hij op catechisatie. Uiteindelijk kwam Toorop rond 1880 terecht in Delft. Op school ging het niet al te best, hij was liever aan het tekenen. Via zijn voogd kwam hij in contact met kunstverzamelaar Ernst Ahn in Den Haag, die zo onder de indruk was van zijn talent dat hij bij Toorops vader en voogd aandrong om hem te laten afwijken van het geplande carrièrepad. “Dat was het grote moment in mijn leven,” zei Toorop later.

Eerst wachtte hem de akte M.O. tekenen, die hij in Delft zou halen. Een aantal tekeningen van Toorop uit die tijd worden bewaard in Kunstmuseum Den Haag. De bladen zijn uit een schetsboek gescheurd, maar voor schetsen zijn de composities te ver uitgewerkt. Van de ingenieuze, experimentele Toorop valt nog niet veel te bespeuren. Het zijn tekeningen waarin Toorop nauwgezet op papier zet wat hij ziet, inclusief reflecties op het water en het vallen van de schaduwen. Wellicht waren het tekeningen die Toorop nodig had om de akte te kunnen halen, tekeningen waarin hij niet zijn creatieve ei kwijt kon. Zelf zei hij in ieder geval over deze tijd: “Ik vond de teorie (sic) verschrikkelijk, al de perspectief en meetkunde. Natuur en leven zocht ik.” In Amsterdam kon hij zijn draai beter vinden. Onder directeur August Allebé was er op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar Toorop tussen 1880 en 1882 studeerde, ruimte voor debat en experiment. Allebé, zelf ook schilder, raadde Toorop aan om in Artis dieren na te tekenen.

Links: Jozef Israëls, Huiswaartskeren, ongedateerd, olieverf op doek, collectie Rijksmuseum Amsterdam / Rechts: Jan Toorop, Huiswaartskeren, 1883-1887, olieverf op doek, Groninger Museum, bruikleen Stichting J.B. Scholtenfonds

‘Leven’ vond Toorop in de Joodse buurt rond het Waterlooplein, waar ook ooit Rembrandt woonde en werkte. Naar de kerk ging hij niet meer, het trok hem niet meer aan. “‘t Pittoreske van de Jodenbuurt en het volk deed me veel meer,” zei hij. Hij maakte er aquarellen van. Verder waren zijn inspiratiebronnen heel divers. Toorop kon bijvoorbeeld uren naar de Nachtwacht staan kijken in het Trippenhuis, waar toen het Rijksmuseum was gevestigd. Daarnaast kocht hij prenten van het werk van Rembrandt, die hij dan natekende. Bovendien was Toorop onder de indruk van het werk van Jozef Israëls, die internationale bekendheid genoot met zijn schilderijen van het tragische vissersleven. Israëls nam ook het boerenleven als onderwerp, bijvoorbeeld in het schilderij Huiswaartskeren. De terugkeer naar huis na gedane arbeid op het land was een geliefd thema van Israëls. Het is onbekend of Toorop dit ongedateerde werk ooit heeft gezien, maar wellicht heeft het hem op een idee gebracht voor zijn eigen Huiswaartskeren (1883-1887). Toorops schilderij is grover qua penseelstreek en minder gedetailleerd dan dat van Israëls. De kleuren zijn niet zo helder als in het Frans Impressionisme, maar toch kan dit werk, net als veel ander vroeg werk van Toorop, als impressionistisch van aard worden beschouwd.

Dat Toorop ondertussen zijn Indische wortels niet verloochende blijkt onder andere uit Zelfportret met Javaanse gewaden (1880) en een serie van vier aquarellen met modellen in Oosterse dracht die Toorop in 1884 maakte. Bij zijn gastgezinnen thuis en tijdens zijn studententijd versierde hij zijn kamers met sarongs die hij had meegenomen van Java.

Jan Toorop, De garenwinders, 1883, olieverf op doek, collectie Kunsthandel Studio 2000

Toorop zette zijn studie voort aan de Academie van Schone Kunsten in Brussel. Hij belandde er in een rijk kunstenaarsklimaat, het broeide er van de nieuwe ideeën. De levendigheid van de stad beviel hem. Ook hier maakte Toorop tekeningen van de arbeidersklasse. Hij verbleef regelmatig in Machelen, een stadje ten noordoosten van de Belgische hoofdstad, waar hij het leven op het land en de landelijke omgeving kon schilderen. Toorop voltooide het monumentale doek De Garenwinders in 1883. Het is realistischer opgezet dan veel van zijn andere doeken uit deze tijd, en de koppen van de figuren doen meer denken aan die zijn dochter Charley Toorop later zou schilderen. Het contrast met het moderne leven in de stad boeide hem enorm. Naast arbeiders zette hij Brusselse studenten en caféscenes op het doek, steeds in een impressionistische schildertoets en met een bruinig palet met hier en daar een accent blauw of rood.

In 1884 werd Toorop lid van de Brusselse kunstenaarsvereniging Les Vingt (De Twintig). Hier legde hij contacten met avant-gardistische kunstenaars als Théo van Rysselberghe en James Ensor. In 1887 werd op een tentoonstelling van Les Vingt in Brussel het werk Zondag op La Grande Jatte (1886) van de Franse schilder Georges Seurat tentoongesteld. Het monumentale pointillistische schilderij van twee bij drie meter maakte veel indruk op Toorop. Hij liet de techniek nog even op zich inwerken en ging er in de loop van 1888 zelf mee aan de slag. Toorop vond zo een nieuwe beeldtaal om de onderwerpen van zijn eerdere, impressionistische werken vorm te geven. Dit is overigens geheel in lijn met de razendsnelle stijlwisselingen die binnen de avant-garde plaatshadden. Toorop maakte zich de techniek geheel eigen. In plaats van de duidelijk omlijnde figuren in het werk van bijvoorbeeld Seurat, zijn die in Toorops werk diffuser weergegeven. De Franse pointillisten bouwden kleurvlakken op uit stipjes ongemengde verf. Voor Toorop waren de stipjes ongemengde verf een middel om een bepaalde sfeer te creëren. De kleuren lopen dan ook meer door elkaar.

Jan Toorop, In de Nes, 1889, olieverf op doek, collectie Kunstmuseum Den Haag

De vroege werken van Toorop kregen door de kunstenaar in toenemende mate een diepere spirituele betekenis toegekend. Dat is ook te zien in de eerste pointillistische schilderijen, die in 1888 en 1889 ontstonden. In In de Nes bijvoorbeeld verbeeldde hij wederom een sociaal-geëngageerd thema, maar nu met een diepere laag. Een moeder haalt haar dochter van de straat. Het huilende kindje aan de hand van de moeder verbeeldt de emotie van dat moment, en de witte kleding van beiden staat symbool voor onschuld. Op de achtergrond kijken prostituees toe, het kunstlicht dat uit het bordeel komt, suggereert een verdorven wereld.

Toorop stelde een aantal van zijn pointillistische schilderijen tentoon op de tentoonstelling van Les Vingt in Amsterdam in 1890. Het was zijn manier om te antwoorden op de kritiek, die hij een jaar eerder had gekregen, dat hij niet innovatief zou zijn. Kunstcriticus en vriend van Toorop Jan Veth vond het experiment geslaagd: “[…] in de inniger ‘Schemeravond-idylle’ weet hij de wetenschap der neo-impressionisten aan te wenden tot een werkelijk nawerkende emotioneele kunst van diepe harmonieën.”

Vanaf 1890 legde Toorop zich in toenemende mate toe op het Symbolisme en vond hij een manier om zijn zoektocht naar vergeestelijking en verheffing vorm te geven. Hij brak er definitief mee door en vestigde daarmee zijn positie als één van de leidende figuren van de Nederlandse avant-garde.

Meer weten? Lees dan:

  • Paul Begheyn, Jan Toorop: autobiografische herinneringen 1858-1886 zoals gedicteerd aan Anton Reichling SJ in 1927, Zwolle 2009.
  • Gerard van Wezel, Jan Toorop: Zang der Tijden, Den Haag/Zwolle 2016.
  • Jenny Reynaerts, Spiegel van de werkelijkheid: 19de-eeuwse schilderkunst in Nederland, Amsterdam/Brussel 2019.

 

– Jet Sloterdijk, 31/03/21

Terug naar overzicht