Tickets kopen

Mondriaan de Mesquita | Frank van de Schoor

12 nov 2020

De aanloop

Samuel Jessurun de Mesquita (1868 – 1944) en Piet Mondriaan (1872 – 1944) zijn generatiegenoten die zich beiden sinds hun jeugd met volle overgave hebben gewijd aan de beeldende kunst. Zij volgden in Amsterdam hun kunstopleiding, zijn in 1891 en 1894 lid geworden van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, waar zij ook regelmatig hebben geëxposeerd. Er werden voor- en najaarstentoonstellingen gehouden voor de leden-kunstenaars. De Mesquita en Mondriaan presenteerden er bijna jaarlijks enkele werken tussen 1892 en 1905. In 1897, 1898 en 1899 namen zij deel aan dezelfde tentoonstelling bij Arti, waar ook enkele tientallen andere leden vertegenwoordigd waren. Hoogstwaarschijnlijk zijn zij bij deze sociëteitsvernissages met elkaar in contact gekomen. In de jaren 1900 – 1907 hebben zij tevens deelgenomen aan de jaarlijkse tentoonstellingen van ‘Levende Meesters’ in het Amsterdamse Stedelijk Museum. In 1907 hingen zij allebei met werk in deze manifestatie. Als beginnend kunstenaar waren zij actief in het opbouwen van een netwerk van vakgenoten en potentiële opdrachtgevers om een solide basis te krijgen voor hun beroepsuitoefening.

Het is niet gedocumenteerd of zij bij Arti vaker vriendschappelijk met elkaar in contact zijn gekomen. Zij kwamen uit geheel verschillende milieus. De Mesquita voelde zich verbonden met de hechte Joods-Sefardische gemeenschap die haar thuisbasis had in het oostelijk centrum van Amsterdam. Mondriaan kwam uit een calvinistische kring, eerst in Amersfoort, daarna in het Achterhoekse Winterswijk. Mondriaan wilde zijn grenzen verleggen en trok voor zijn kunstopleiding aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten naar de hoofdstad. De Mesquita koos voor een meer praktische kunstopleiding en werkte aansluitend op een architectenbureau. Jaren later exposeerde hij als vrij kunstenaar onder meer bij de Joodse kunsthandel Goudeket & Co. Mondriaan vond zijn weg in het vooraanstaande kunstcircuit en toonde zijn werk bij Kunsthandel Van Wisselingh & Co aan de Kalverstraat.

Kunstcentrum Amsterdam

Amsterdam beleefde in de tweede helft van de 19e eeuw als handelsstad een economische opleving met nijverheid en stadsuitbreiding. Achter het Concertgebouw verrees een nieuwe buurt met welgestelden die voor Mondriaan, de Mesquita, en andere kunstenaars interessant waren als kunstliefhebbers en (portret)opdrachtgevers. In 1892 telde de hoofdstad 420.000 inwoners. Dit aantal groeide snel tot 520.000 in 1900.

Rond de eeuwwisseling, de ‘Belle Epoque’, manifesteerde zich in de hoofdstad een nieuwe klasse zelfgenoegzame, gegoede burgerij. De Hollandse bourgeoisie hield er burgerlijke opvattingen over schoonheid en moraal op na. Contacten met de buitenlandse kunst waren sporadisch en het Franse impressionisme werd lang met argwaan bekeken. In de nieuwe eeuw veranderde dit beeld en stond Amsterdam open voor een jonge avant-garde, etaleerde zich als culturele hoofdstad en uitvalsbasis voor modernistische kunststromingen. Mede onder invloed van de succesvolle Haagse School was Den Haag eind 19e eeuw het landelijke kunstcentrum geweest. Na 1900 nam Amsterdam deze positie geleidelijk over met het pas geopende Stedelijk Museum, invloedrijke kunsthandels en kunstverenigingen.

Ideeënkunst

Het vroege werk van Mondriaan en De Mesquita oogt in sommige opzichten verstild en meditatief. Het waren geen wereldvreemde dromers, maar zij hadden wel een spiritueel gedachtenleven. Veel kunstenaars hadden in de periode rond 1900 filosofische vergezichten en levensbeschouwelijke idealen. Vanuit het huidige perspectief lijken het utopisten en dagdromers, gedreven door een bovenzinnelijk mensbeeld en bezielde natuurlyriek.

Mondriaan was bij uitstek een kunstenaar die zijn filosofische ideeën in zijn werk tot uitdrukking heeft gebracht. Zijn ontwikkeling naar een abstracte beeldtaal, die beantwoordde aan zijn theosofische denkwereld, was een vorm van vergeestelijking. Het vertrekpunt was de reële kunst van het natuurlijk landschap, de bestemming was de abstracte vormentaal van de ideële kunst. Het symbolische drieluik Evolutie (1911) met etherische vrouwfiguren is hiervan een goed voorbeeld. Opgeheven blikken en onbewogen lichaamshouding suggereren een verlangen naar het bovennatuurlijke.

Piet Mondriaan, Evolutie, 1911, olieverf op doek, collectie Kunstmuseum Den Haag

De Mesquita ontwikkelde zijn realistische tekenstijl gaandeweg naar een meer abstraherende beeldtaal. Hij tekende met een verstilling van het onderwerp in een sereen patroon van lijnen en vlakken in stemmige zwart-wit tonen. Zijn menselijke figuren dragen titels als ‘Verdriet’, ‘Vreugde’ en ‘Extase’. Een houtsnede uit 1916/’17 toont een gedistingeerd weergegeven leliebloem, geflankeerd door een naakt meisje, dat symbool staat voor de reinheid van de natuur. Het getuigt van zijn streven naar ‘vergeestelijkte’ kunst.

In de verbeelding van spiritualiteit ligt zeker een overeenkomst tussen beide kunstenaars. De Mesquita en Mondriaan stonden hierin echter niet alleen. Vele kunstenaars zijn rond 1900 op zoek naar een universele beeldtaal en metafysische symboliek. Tijdgenoot Jan Mankes toont in zijn werk als graficus verwantschap met De Mesquita. Met zijn atmosferische avondlandschappen doet Mankes denken aan Mondriaan. Hij schreef op 26 november 1931: ‘Kunst is een uiting geven aan geestelijk leven. Aangezien het zuiver geestelijke, het onnoembare niet te noemen is, neemt men stoffelijke dingen te baat als middel (…) Schilderen is dus nooit een afbeelding geven der stoffelijke zaken, maar een psychische functie, een uiten hoe de geest reageert ten opzichte der dingen.’

Abstractie

Beide kunstenaars ontwikkelden hun kunst in de richting van abstractie. Mondriaan analyseerde zijn werk tot een nieuwe essentie en maakte met zijn ‘beelding’ een metamorfose door. De Mesquita streefde juist naar de abstrahering van de voorstelling, de kernachtige weergave van zijn onderwerp. Hij tekende de exotische dieren in Artis als archetype. De dieren blijven in hun gedaante herkenbaar, tegelijk lijken zij, mede door hun verblijf in de dierentuin, in een vervreemdende enscenering te zijn beland.

Samuel Jessurun de Mesquita, Reiger in een hok, 1915

Artistiek leven

De Mesquita hield zich betrekkelijk afzijdig van het ‘kunstwereldje’ en volgde zijn eigen artistieke weg. Mondriaan was een einzelgänger die in Amsterdam vaak van atelier wisselde en altijd onderweg was. Door hun individuele zoektocht in de kunst trokken zij hun eigen spoor. Dit betekent niet dat zij marginale figuren waren. Zij namen volop deel aan het culturele leven in Amsterdam, waren lid van Arti et Amicitiae en andere kunstenaarsverenigingen en exposeerden op diverse locaties in de hoofdstad. Beide kunstenaars waren dan wel geen leidsmannen in de kunstscene, dat wil niet zeggen dat zij in afzondering leefden.

Mondriaan werd getrokken door het nachtleven. Hij bezocht danslokalen en cabarets. Met volle overgave danste hij de tango in Amsterdam, de charleston in Parijs en later de boogiewoogie in New York. Daar frequenteerde hij de moderne jazzlokalen. De Mesquita was dan meer een familieman, maar dat hij ook een uitbundige kant had blijkt wel uit het volgende citaat van D.J. da Silva, een achterneef van De Mesquita. De families zochten elkaar wekelijks op. ‘Er werd ontzettend veel gelachen, ongehoord veel gelachen. Hij (Samuel) kon werkelijk schateren, met tranen in de ogen en om niks eigenlijk’.

Frank van de Schoor is freelance curator en schrijver over moderne en hedendaagse kunst.

Terug naar overzicht