Waar is ‘Beek in bosrijk landschap’ geschilderd? De locatie
Kunsthistoricus Caroline Schuurman

Afbeelding 1. Beek in bosrijk landschap, ca. 1894-96, olieverf op doek, op board, 28,5 x 37 cm. Signatuur rechtsonder: Pieter Mondriaan. Privécollectie. Foto: Edwin Voûte, Art Gallery Voûte, Schiedam.
Beek in bosrijk landschap
Ruim twintig mensen hebben geholpen om een antwoord te vinden op vraag waar Piet Mondriaan het werk Bos bij Winterswijk met beek heeft geschilderd. (afb.1). Hier zal ik ingaan op de volgende vragen: waar verbleef Mondriaan rond 1894-96, waar was het schilderij al die jaren, wat zien we op het schilderij en wat zijn de mogelijk locaties: De Buurse in Meddo, de Whemerbeek of havezate Plekenpol en watermolen Den Helder bij de Boven-Slinge?
Het bleek nog niet zo eenvoudig te onderscheiden wat er precies op het schilderij te zien is. Duidelijk is dat het om een landschap gaat met een brede smaller wordende beek, die ons oog naar de horizon leidt, waar de zon een weide oplicht. Aan de linkerzijde van de beek zien we een gebouwtje met mensen ervoor en enkele grote bomen erachter. De linkeroever van de beek wordt door ruig struikgewas omzoomd. Daarachter zijn daken van gebouwen, een kerktoren en palen te zien of zijn het schoorstenen? Op de rechteroever met een goed verzorgde beekbank valt zonlicht op een gemaaide weide, waarvan een deel in de schaduw ligt. Richting de horizon zien we een gemengd bosje, waar een bospad in loopt. Een paar boomstammen in dit bosje zijn kaal en worden beschenen door de zon. Hoewel de zon volop schijnt en diepe schaduwen geeft, is de lucht niet helemaal helder. Het wateroppervlak waarin de omgeving wordt weerspiegeld, beslaat bijna een kwart van het schilderij.
Waar verbleef Mondriaan?
In september 1892 vertrok Mondriaan naar Amsterdam om zijn opleiding aan de Rijksakademie voor Beeldende kunsten te beginnen. In de loop van dat jaar schilderde hij Korenschoven in het veld. (afb. 6) Dat deed hij niet in Amsterdam, maar in Winterswijk, waar hij in de zomervakanties zijn ouders bezocht. Rond 1894-96 volgde Mondriaan extra avondklassen, om zijn techniek te verbeteren. In deze periode woonde hij eerst in de Kalverstraat op nummer 154 en vanaf april 1895 in Ruysdaelkade op nummer 75. Op dat laatste adres had hij uitzicht op waskaarsenfabriek. (afb. 2) Veel schilders in die tijd hadden interesse in de snelle industriële ontwikkeling die plaatsvond. Zo ook Mondriaan, de schoorstenen van de waskaarsenfabriek vinden we dan ook op sommige zijn schilderijen terug.

Afbeelding 2. Koninklijke Waskaarsenfabriek, Hobbemakade Amsterdam, 1905, Stadarchief Amsterdam.
Verblijfplaats onbekend
Robert Welsh deed vanaf 1962 onderzoek naar het vroege werk van Mondriaan. Daarvoor had hij contact met Henriëtte Gans-Blom (1880-1976), historicus en geschiedenisleraar Wim Scholtz (1945-2024) en sociaalgeograaf en oud-aardrijkskunde leraar Willem Peletier in Winterswijk. [1] Hoewel Welsh in 1965 hoogleraar moderne kunstgeschiedenis in Toronto werd, verscheen zijn proefschrift Piet Mondrian’s Early Career pas in 1977.
In maart 1954 werd het schilderij Bos bij Winterswijk met beek geveild bij Veiling Mak van Waay in Amsterdam, toen met als titel Landschap aan vaart voor 65 gulden. In januari 1955 kwam het opnieuw in Amsterdam onder de hamer. Het werd verkocht aan J.C. Solleveld uit Rijswijk voor 48 gulden. Ook de volgende eigenaren de heer en mevrouw D.A. Hoogendijk uit Amsterdam kochten het werk in juni in 1961 tijdens een veiling bij Mak van Waay in Amsterdam, voor 240 gulden. Het bleef in hun bezit tot 1977, waarna het in een privécollectie in Utrecht terecht kwam. Vervolgens is het onbekend waar het werk zich bevond en wist men alleen van het bestaan af door een bruingele afbeelding in het boek van Welsh. [2] (afb. 3)

Afbeelding 3. Zoals het in Piet Mondrian. Catalogue raisonné. Deel I van Robert Welsh is afgebeeld.
Bruikleen in Museum Villa Mondriaan
In 2024 zag galeriehouder Edwin Vôute het donkere schilderij in de kast bij een handelaar, die het al zo’n twintig jaar in de kast had staan. (afb. 4) Vôute vroeg Ivo Bouman en Simonis & Buunk, twee gerenommeerde kunsthandelaren, om naar het schilderij te kijken. Na restauratie door Douwes Fine Art (Erick Douwes), die het ook voorzag van een lijst, komt het schilderij weer tot zijn recht. Museum Villa Mondriaan leek hem de meest passende plek om het na de drie tentoonstellingen in 1966 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum), Toronto en Philadelphia opnieuw aan het publiek te tonen.[3]

Afbeelding 4. De staat van het schilderij in 2024. Foto: Edwin Voûte, Art Gallery Voûte, Schiedam.
Wat is er te zien
Volgens Bram Obbink is het namiddag en schijnt de zon vanuit het westen. De kwaststreken vallen hem op en hoeveelheid verf die Mondriaan gebruikt, terwijl verf in die tijd duur was. Het zou door Mondriaan buiten kunnen zijn opgezet. In de bomen is de verf pasteus aangebracht en in het gras vloeit de verf een beetje, terwijl de lucht bijna droog is geschilderd.


Afbeelding 5 a en b. Details Beek in bosrijk landschap waar de ophogingen te zien zijn.
Opvallend is het opgehoogde zachte wit bij de figuren voor het huis, aan de horizon en aan de linkeroever van de beek. (afb. 5) Die plekken vangen meer licht omdat het oppervlak van opgehoogde verf groter is en doordat het een schaduw- en lichtzijde heeft contrastrijker is en daarmee de aandacht naar zich toe trekt. Dat Mondriaan op Beek in bosrijk landschap de plekken waar het meeste licht op valt met ophogingen accentueert zien we ook terug op Korenschoven in het veld (1892). (afb. 6) Zijn techniek is dan nog minder goed ontwikkeld. Ook de rest van Korenschoven is nog niet met dezelfde overtuiging geschilderd als Beek in bosrijk landschap. Zoals Mondriaanexpert Hans Janssen (1954-2021) over Korenschoven verwoordde: ‘Hij zette het op in een losse, gemetselde stijl, met romige verf, onbekommerd, nat in nat. Met veel bravoure liet de jonge kunstenaar hier de teugels vieren en gaf hij het schilderen de vrije hand’. [4]

Afbeelding 6. Korenschoven in het veld, 1892, olieverf op karton, 29 x 39 cm.
Kunstmuseum Den Haag
Beide schilderijen zijn in juli-augustus geschilderd, de periode waarin Mondriaan gedurende de zomervakantie bij zijn ouders verbleef. Misschien vierde de gehele familie in die periode de verjaardagen van zijn ouders, want die waren beide in juni jarig geweest. (afb. 7)

Afbeelding 7. Enkele leden van het gezin Mondriaan, ca. 1894. Foto: mogelijk Louis Mondriaan. Zittend v.l.n.r.: Johanna Mondriaan-de Kok, Carel, Christien, Piet, Pieter Mondriaan sr. Ontbreken: Louis en Willem Frederik. De laatste was in Suriname. RKD Research.
Signatuur Pieter Mondriaan
Op het schilderij staat de signatuur ‘Pieter’ in de handtekening. Dat is zeldzaam bij Mondriaan. Het wordt alleen bij enkele vroege werken gevonden, die waarschijnlijk allemaal zijn uitgevoerd in de jaren 1890. Een daarvan Warmte. Boerderij in de Achterhoek heeft een herkenbare Winterswijkse omgeving. Dit schilderij is eveneens een van de werken die voor 1894 in of vlak bij Winterswijk gemaakt zijn.[5] Op dit schilderij staat net zoals op Beek in bosrijk landschap de signatuur ‘Pieter Mondriaan’. Over het schilderij Warmte schreef Welsh: ‘De zeldzame handtekening met ‘Pieter’ doet vermoeden dat het is uitgevoerd tijdens een bezoek aan het huis van zijn familie in Winterswijk tijdens het zomerreces van de lessen aan de Academie’.[6]
Boerderijcomplex met hooiberg
Welsh suggereerde dat het om een boerderijcomplex gaat en dat de twee ‘palen’ op het schilderij wijzen op een hooiberg. Gezien de positie en de lengte is het de vraag of dat klopt. Mondriaan schilderde veel boerderijen in en rondom Winterswijk, maar op zijn Winterswijkse werken zien we eigenlijk nooit hooibergen. Oud-wetenschappelijk medewerker van het Nederlands Openluchtmuseum Leendert van Prooije wees erop dat die er rond Winterswijk wel waren, maar niet veel. Veel boerderijen bewaarden de oogst op hooizolder, daar was meestal genoeg ruimte. Toch vond Van Prooije enkele krantenberichten die wel degelijk het bestaan van hooibergen rond Winterswijk bevestigde. (afb. 8)

Afbeelding 8. Bericht in de Arnhemse courant, 19-10-1912.
Kerktoren
Wanneer we de torenspits op Beek in bosrijk landschap (B) vergelijken met een tekening uit 1897-98 waarop Mondriaan de Jacobskerk kerk (A) heeft afgebeeld, valt op dat lengte en de spitsheid tussen beide overeenkomen. (afb. 9)

Afbeelding 9. Van links naar rechts: A Schets voor dorpskerk, 1897-98, B detail Beek in bosrijk 1894-06 en C Kerk Meddo vanaf de weg langs de Buurse, foto oktober 2025.
Het is aannemelijk dat het om de Jacobskerk gaat. Ondanks dat, vroeg de in Meddo geboren Elli Stammers zich af of het niet om de kerktoren van Meddo zou kunnen gaan. Wanneer we de spits op de foto (C) vergelijken met die van de tekening (A) oogt de spits van de kerk in Meddo wat stomper dan de Jacobskerk. Het kan een optie zijn, want zuidelijk van die kerk ligt de voormalige havezate de Buurse, ook wel de Beurse genoemd, met overblijfselen van de grachten die de havezate ooit omringden.
Landschap en vegetatie
Volgens ecoloog Rody Schröder is het water op het schilderij eerder een afstromende beek dan een gracht. Het oogt als een gestuwde beek, want we zien geen boomstammen, geen grondbedden, geen boomstobben, geen werveling in het brede water. Dat komt erg overeen met de situatie bij de watermolen Den Helder. De oever is aan beide kanten goed bijgehouden. Schröder sluit de omgeving bij de stuw bij Berenschot bij Bekendelle dan ook uit, want voor die omgeving is het te strak bijgehouden. Volgens historisch geograaf Luuk Keunen komen voor een dergelijke beek als op het schilderij alleen de Boven Slinge en de Whemerbeek in aanmerking. Zijn eerste gedachte ging uit naar Boven Slinge bij Plekenpol. Ook historicus Lud Overkamp en enkele anderen dachten in eerste instantie direct aan Plekenpol.
Schröder merkt verder op dat het achteraan op de het schilderij geen berken zijn; mogelijk staan er essen. Deze hebben ook een lichtgrijze stam. De grote boom is breed en doet het meest denken aan zomereik, maar het zou ook een beuk kunnen zijn. Al is een beuk dicht aan het water niet waarschijnlijk. Het roodachtige moet een schoorsteen zijn, geen stam van een boom. Die zou dan gezien de boomvorm, meer naar rechts moeten staan. Aan de linkeroever staan vijf tot zes meter hoog boomvormende soorten en struweel.
Bosrijk landschap
Het schilderij is getiteld Beek in bosrijk landschap, maar bos hoeft voor de zichtbaarheid van de kerk hoeft geen probleem te zijn. Tegen het einde van de negentiende eeuw was er rond Winterswijk niet zoveel bos. Jacobus Craandijk wandelde eind 19e eeuw in Winterswijk en kon in die tijd de Jacobskerk vanuit de verte goed zien. (afb. 10)[7]

Afbeelding 10. Piet Schipperus, Winterswijk, 1884.
Veldbioloog Steven van de Brand schreef in De plantengroei van Winterswijk: ‘Aan de noordzijde van de beek bevonden zich aan het eind van de negentiende eeuw bleekweiden waarop het linnen van de Winterswijkse textielfabrieken werd gebleekt’. Een belangrijk deel van deze bleekweiden moest plaatsmaken voor het openluchtzwembad. Dat betekent dat dit gebied richting dorp en kerk nog geheel open was. Op een schilderij van scholtenboerderij ’t Hijink is zichtbaar dat de kerk van zo’n vijf kilometer afstand goed zichtbaar was. Daarom was op het schilderij in de deuropening de Jacobskerk geschilderd. (afb. 11)

Afbeelding 11. Hijink in het Woold, 1809. Door de deuropening heen is de Jacobkerk te zien
Schoorstenen
Verschillende mensen zoals Willem Peletier, ecoloog Jan Stronks en oud-archivaris Peter Meerdink opperden dat de om twee schoorstenen van industriële bouwwerken zou kunnen gaan. Zoals we aan het begin lazen, treffen we op sommige van Mondriaans werken schoorstenen aan. De industriële vooruitgang in Nederland was zichtbaar aan de vele schoorstenen die in steden en dorpen verschenen. Ze waren in Mondriaans tijd het symbool van industriële vooruitgang. Rokende schoorstenen werden zelfs op briefpapier in beeldmerk van bedrijven gebruikt. Ook Winterswijk industrialiseerde vanaf 1860 in rap tempo en fabrieksschoorstenen werden bepalend voor het silhouet van het dorp. Tussen 1860 en 1960 zijn zeker zo’n veertig schoorstenen gebouwd. Nu zijn ze zo goed als verdwenen. Van de beginperiode toen er nog relatieve kleine schoorstenen werden gebouwd, zijn geen tot nauwelijks afbeeldingen bekend.[8] IJsmeester Hendrik van Prooije stuurde een foto van ijsbaan De Morse, waarop zowel de toren van de Jacobskerk te zien is als verschillende schoorstenen. (afb. 12) Die ijsbaan lag daar vanaf 1901 aan oostzijde van de Whemerbeek, niet zo heel lang nadat Mondriaan Beek in bosrijk landschap schilderde.

Afbeelding 12. Foto ijsbaan De Morse, 1902. Collectie Hendrik van Prooije.
Locaties elders
Zijn er dan andere locaties mogelijk. Mondriaan schilderde in zijn carrière lange tijd kerktorens, ook nog toen hij steeds abstracter ging werken. Maar ik kon in zijn oeuvre geen andere locaties met kerktorens vinden die in aanmerking komen. Hij schilderde onder andere de kerk van Kortenhoef, maar die toren komt wat vorm betreft niet overeen en op oude foto’s en ansichtkaarten is geen gelijkend landschap te vinden. Een zoektocht naar bochten in beken leverde eveneens geen aanwijzingen voor een andere locatie op. Zijn landschappen in die periode maakte hij vooral rond Amsterdam en dat gebied heeft een heel andere sfeer en ziet er heel anders uit. (afb. 13) Op geen van deze werken is een vergelijkbare locatie te zien, noch een vergelijkbare beekbank.

Afbeelding 13. In de omgeving van Amsterdam: Boerderij aan het water en vrouw met wasgoed, 1895, papier, aquarelverf. Verblijfplaats onbekend. RKD — Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis
Al met al kunnen we concluderen dat het om een Winterswijks werk gaat en dat er drie mogelijke locaties zijn: De Buurse, De Plekenpol en aan de Whemerbeek.
De Buurse
Nu is van De Buurse niets meer te zien, al vond de huidige bewoner Jan Koks niet zo lang geleden enkele heel oude stenen, die heel goed van deze havezate afkomstig kunnen zijn. De Buurse bleef als enige van de vier havezaten in Winterswijk over tot 1750. De adellijke eigenaren van de havezaten in Winterswijk werden al na de zestiende eeuw steeds armer. De boeren waren geïnteresseerd in het land en de boerderijen, niet in oude gebouwen.[9]

Afbeelding 14. Gracht met zicht richting kerk in Meddo.
Jan Koks leidt Elli Stammers en mij uitgebreid rond over zijn terrein. Hij vertelt ons dat de gracht ooit helemaal rond het terrein liep en laat ons het poortershuis zien. De kerktoren is nu door alle bomen niet zichtbaar, maar hij denkt dat die in de tijd van Mondriaan wel te zien was. Tevens stond en staat er nog steeds aan de overkant van het water (waar nu op de foto de ganzen zwemmen) een boerencomplex. (afb. 14) Jan Koks laat zien dat de gracht oorspronkelijk het hele terrein omringde. Op de foto’s zien we nog de restanten van de gracht, waarvan nu grote delen dicht gegooid zijn. (afb. 15) Voor hem is het heel goed mogelijk dat Mondriaan hier de inspiratie voor zijn schilderij vandaan haalde.

Afbeelding 15 Deel gracht vol met bladeren en het poortershuis.
Hoewel de kerk op de juiste plek staat, er een water is met vergelijkbare oevers als op het schilderij, is het niet erg waarschijnlijk dat dit de locatie van Beek in bosrijk landschap is. De omgeving oogt als geheel te verschillend en het was relatief ver van Mondriaans huis. De kerk in Meddo is een katholieke kerk, terwijl de familie van Mondriaan gereformeerd was. Zeker dat laatste speelde toen sterk, men haalde geen brood bij de bakker van een ander geloof.
Havezate Plekenpol
Zou het dan toch bij de locatie Plekenpol kunnen zijn, maar op een andere plek dan bij watermolen Den Helder. Plekenpol was altijd al een befaamde plek in Winterswijk, die vaak werd geschilderd. (afb. 16) De schilder Pietro Armati (1898-1976) had er zelfs een periode zijn atelier.

Afbeelding 16. Plekenpol zoals het werd vereeuwigd door schilders en een fotograaf voordat het in 1944 afbrandde.
De Plekenpol zal in Mondriaans tijd in een veel beter staat verkeerd hebben, gezien dat het in die tijd gebruikt werd voor bijeenkomsten van bijvoorbeeld onderwijzers. Plekenpol had van oudsher nogal wat aanzien, want het was evenals de Buurse een oude havezate. (afb 17) In de winter van 2014-2015 zijn fundamenten van Plekenpol gevonden. Het was mogelijk een rechtighoekig laat middeleeuws gebouw met een grote zaal. In 1944 brandde het oudste gedeelte af, maar de kelder – vermoedelijk een gewelfkelder – bleef bewaard.[10] Het huis van de huidige bewoners (Tom en Silke Everding) is daar in 1949 bovenop gebouwd en heeft sinds december 2025 de monumentenstatus.

Afbeelding 17 a en b Nicolaas van Geelkercken, Winterswijk het gebied rond de Plekenpol, 10-13 juli 1642. En rechts uitvergroot detail. Bron: 0124 Hof van Gelre en Zutphen (Gelders Archief).
De status die de plek had, blijkt ook uit een bezoek van Prins Hendrik dat in het Nieuws van den dag werd vermeld. (afb. 18) Prins Hendrik werd door de toenmalige bewoner de heer Ten Houten ontvangen, vanwege de grote Landbouwtentoonstelling die in 1903 in Winterswijk gehouden werd.

Afbeelding 18. Landbouwfeesten te Winterswijk. “Het nieuws van den dag : kleine courant”. 12-09-1903.
In het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag (RKD) bevinden zich twee oude afbeeldingen in zwart-wit van het schilderij, waarvan er één ‘toevallig’ in spiegelbeeld op mijn computer werd weergegeven. (afb. 19) Dat maakt de overeenkomst met op de ansichtkaart uit de collectie van Willem Peletier nog zichtbaarder. Welsh nam de afbeelding van de ansichtkaart op in zijn catalogus. Welsh zegt niet dat het de precieze locatie is, maar dit beeld ondersteunt zijn conclusie dat Mondriaan een plek bij Plekenpol verbeeldde. (afb. 20)

Afbeelding 19. RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.
Afbeelding 20. ‘Het overgebleven kanaal van de voormalige gracht die het ridderkasteel (havezate) Plekenpol omringde, Winterswijk, c. 1900.’ Ansischtkaart collectie Willem Peletier, Winterswijk.
Voor beeldend kunstenaar Vic Hulshof is het duidelijk: ‘Plekenpol is de meeste logische en zekere plek voor de locatie van dit schilderij’. Hij heeft er dan ook niet voor niets voor gezorgd dat deze locatie werd opgenomen in Mondriaan fietstocht.[11] Wanneer we door het bij Den Helder voor de fietstocht geplaatste bord kijken, kijken we richting noordoost. Dan kunnen we de Jacobskerk die in het noorden ligt niet zien.
De twee foto’s genomen in de richting van de Jacobuskerk laten twee locaties bij Plekenpol zien, die mogelijk wel in aanmerking komen. Vanaf beide fotostandpunten (rode en groene stip op de kaart) is op beide foto’s achter de bomen een boerderij te zien. (afb 21) Deze stond er al in Mondriaans tijd en volgens Tom Everding zijn er nu nog restanten van een vlonder die daar was of er ook een gebouwtje heeft gestaan kan hij niet zeggen. Nu is de toren van de Jacobskerk niet zichtbaar, maar wel vanaf een iets noordelijker standpunt, bij de blauwe stip aan de Badweg. (afb. 21)

Afbeelding 21. Drie foto’s genomen vanaf de rode, de groene en de blauwe stip op de kaart richting noord.
Linnenblekerijen
Vic Hulshof en Luuk Keunen vinden het het meest waarschijnlijk dat de twee ‘palen’ de twee schoorstenen van de linnenblekerij bij Plekenpol zijn. Deze blekerij was van de Meijerinks. Tom Everding wijst erop dat die veel dichter op het water en verder weg stond dan het gebouwtje op het schilderij. Het gaat hier om het in 1884 gebouwde bleekhuis van de textielfabrikanten Meijerink en zonen. (afb. 22) De grote lappen gebleekte stof werden op de bovenverdieping gedroogd. In de zeventiger jaren in stortte het gebouw in. Alleen de schoorstenen bleven over. Nu zijn deze weer goed te zien, omdat ze door de huidige bewoners van Plekenpol zijn gerestaureerd.

Afbeelding 22. Bleekhuis van de firma Meyerink aan de Boven-Slinge bij Plekenpol. Fotograaf H.P.R. (Henk) Rosenberg, 1965. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Op Mondriaans schilderij ontwaren we een huisje met figuren ervoor. (afb 23) In zijn boek De plantengroei van Winterswijk (1995) laat Steven van den Brand een gelijkaardig tafereel zien.[12] (afb. 24) Hoewel de schrijver liet weten zich te kunnen voorstellen dat de foto mij op het idee bracht dat dit een bleek moest zijn en mogelijk één van de bekende bleekweiden bij Plekenpol, bleek het toch niet zo te zijn. ‘Bomen stonden er niet op zo’n bleek die het van de zon moest hebben en zeker niet zo’n grote eik als op het schilderij.
![]() |
![]() |
| Afbeelding 23. Rood ingetekend huisje, schoorsteen en brug. Blauw: vrouwen en was. | Afbeelding 24. Linnenblekerij langs Boven-Slinge bij Plekenpol. |
Volgens hem werd de foto vermoedelijk gemaakt aan het begin van het linnenbleken. De textielindustrie kwam rond 1880 tot bloei, waardoor zich bij de Plekenpol een complex van meerdere bleekvelden ontwikkelde. (afb. 25)

Afbeelding 25. Ligging van de historische droogschuren, bleekhuizen bij Plekenpol rond 1880, waarop met stippellijnen het huidige strandbad is aangegeven. Bron: Mozaïek van Winterswick, 1980.
Over de rechteroever laat Van den Brand weten dat er in die tijd (laatste decennia van de 19e eeuw, de tijd dat Mondriaan in Winterwijk vertoefde) op die locatie bos met bosweitjes waren die behoorden tot het landgoed Schot-Schepers, maar geen bleekweiden. Ook dat leidde tot vraagtekens bij de Plekenpol als locatie voor het schilderij. Ook wijst hij op de locatie van de kerk. Hij schreef: ‘Die staat niet alleen te dichtbij om vanuit Plekenpol te kunnen zijn geschilderd, maar de ligging van kerktoren en het schip van de kerk suggereren dat dit beeklandschap niet al te ver van de kerk in noordoostelijke richting moeten worden gezocht. Dus in de richting van Scholtenbrug, een bekende plek waar Mondriaan vaker schilderde, niet ver van zijn huis!’
Artistieke vrijheid
Verschillende mensen wezen erop dat de argumenten dat je het bleekhuis en kerk niet tegelijk kon zien en dat de kerk te ver weg staat, geen reden zou hoeven te zijn om de locatie af te wijzen. Kunstenaars hebben ideeën over hoe ze iets willen uitbeelden. Dat kan ertoe leiden dat hoewel een werk realistisch oogt, het toch niet geheel overeenkomt met de werkelijkheid. Zo bestaat er uit 1898 een ets van Mondriaan waarop hij de Jacobskerk in spiegelbeeld afbeeldde. In een serie van een drie werken Polderlandschap met brug, die hij rond 1894-1895 maakte, experimenteerde hij met de ligging van de horizon, waardoor objecten die ver weg staan toch zichtbaar worden. Tevens varieerde hij het standpunt van waaruit hij schilderde.
Een voorbeeld daarvan is Gezicht op de achterzijde van een kerk uit 1890-1892. (afb. 26) Hoe het beeld veranderd, zien we als we het vergelijken met een schilderij van Alexis Nuys (1844-1926) van diezelfde kerk. (afb. 27) Misschien is het ook mogelijk dat Mondriaan – zoals Jan Stronks suggereerde – als het ware met een groothoeklens schilderde, waardoor je meer van de omgeving in één keer kunt zien.

Afbeelding 26. Gezicht op de achterzijde van een kerk, ca. 1890-1892. RKD Research.
Afbeelding 27. Alexis Nuys. Gezicht op kerk.
Veel mensen benoemen de artistieke vrijheid waarmee kunstenaars een aantrekkelijke compositie creëren. Alle elementen staan niet voor niets op de plek waar ze nu in het schilderij staan. Het is heel aannemelijk – ook gezien Mondriaans andere werk – dat hij goed nadacht hoe hij zijn werk componeerde. Daarin waren veel kunstenaars hem voor gegaan en gezien de vele uren die hij met het kopiëren van oude meesters in Rijksmuseum doorbracht, zal hij daar zeker van de op de hoogte zijn geweest.
Bijvoorbeeld Thomas Gainsborough, die als jongeling hielp om het Engelse landschap als een zelfstandige kunstvorm te vestigen. Cornard Wood is zo’n 300 jaar later nog altijd herkenbaar als de plek waar Gainsborough schilderde. Maar omdat hij zocht naar de perfecte compositie, verplaatste hij de kerk om zo een focuspunt in zijn schilderij te creëren.[13] (afb. 28)

Afbeelding 28. Thomas Gainsborough (1727-1788), Cornard Wood bij Sudbury, Suffolk. © The National Gallery, London.
Zoals Vic Hulshof zegt, komt het talent van Mondriaan tot uiting in hoe hij naar nieuwe en eigen oplossingen zocht. Mogelijk dacht hij net zoals zijn oom en leermeester Frits Mondriaan eveneens aan de commerciële kant van zijn kunstenaarschap. Dat zou ertoe geleid kunnen hebben dat hij voor Winterswijkers en toeristen aantrekkelijke plekken schilderde en zoals Gainsborough de voor hen herkenbare plekken in een compositie verwerkte.
Whemerbeek
In Welsh’ catalogus valt op dat hij het over de Whemerbeek heeft en niet over de Boven Slinge. Verschillende mensen wijzen de Whemerbeek als locatie aan, omdat vanaf daar de kerk zichtbaar is en het dichts bij Mondriaans woning is. Anderen vinden de Whemerbeek als locatie niet waarschijnlijk. Zoals bijvoorbeeld Rody Schröder, omdat hij het water op het schilderij daarvoor te breed vindt. Guus en Ine Avenarius, die al heel lang aan de beek wonen, zijn dezelfde mening toegedaan. Volgens Avenarius liep in Mondriaans tijd de beek dichter bij het hek langs de Museumfabriek en was de beekbedding minder hoog. Het is ook de plek waar indertijd de ijsbaan de Morse was. (afb. 12) Avenarius wijst er tevens op dat wanneer de beek zo vol water staat als op het schilderij, deze veel sneller zou stromen. Het stilstaande, rustige water wijst op een gestuwde beek, zoals bij Plekenpol.
Daarentegen wijzen Lud Overkamp en Steven van den Brand erop dat de Whemerbeek in Mondriaans tijd niet zo’n smal stroompje was als nu het geval is. Deze beek vormde ooit de verbinding tussen Groenlose Slinge en Boven Slinge vanaf Buskersbos. Van den Brand laat ook weten dat Willem van de Westeringh (1940 – 2016) onderzoeker van de afdeling Bodemkunde en geologie van de Wageningen Universiteit, het ontstaan van de Winterswijkse beken bestudeerde en aannam dat de linnenbleek van de dorpsbewoners zich ooit aan de Whemerbeek had bevonden. Op beide oevers kon gebleekt worden, omdat in die tijd de beek nog schoon water aanvoerde.
Jan Stronks bestudeerde de kaart uit 1892 en vond daarop een locatie aan de Whemerbeek die precies past bij het huisje en de boom op het schilderij met de kerk op de achtergrond. Op de kaart zien we net voorbij een bocht in de beek, kijkend richting Jacobskerk in de gele ovaal een rode rechthoek (gebouw) en een zwarte stip (boom) ingetekend. (afb. 29)

Afbeelding 29. Uitsnede kaart, links 2024 en rechts 1892, bron: https://www.topotijdreis.nl Legenda: oranje locatie schilderij, groen woonhuis Mondriaan, geel looierwerkplaats, blauw Jacobskerk.
Ook Peter Meerdink vindt de Whemerbeek als locatie het meest plausibel, evenals de door Stronks aangewezen plek. Meerdink wijst erop dat daar ooit de leerlooierij Hesselink stond. Bovendien stond er een vakwerkhuisje achter de zadelmakerij van en is waarschijnlijk ook gebruikt bij de leerlooierij. Dat vakwerkhuisje is in de jaren 90 verkocht aan de familie Grijsen. Zij laten weten dat ze het huisje steen voor steen hebben afgebroken en weer opgebouwd in hun tuin, Rosenhaege Home & Garden. Daar is het nu nog steeds te zien. (afb. 30 a) In de huidige zadelmakerij Wentink hangt nog een van de balken van dit huisje aan het plafond. (afb. 30 b)

Afbeelding 30 a. Vakwerkhuisje in de tuin van Rosenhaege Home & Garden in Winterswijk-Kotten.

Afbeelding 30 b. Balk van vakwerkhuisje in zadelmakerij Wentink aan Weurden 21.
Volgens Van den Brand was het in Mondriaans tijd nog een schone beek, wat ook nodig was als er gebleekt moest worden. Meerdink ziet daarentegen op het schilderij voorovergebogen vrouwen die op de vlonder voor het huisje bezig zijn een liggende dierenhuid schoon te schrappen of te schrobben! Omdat dat alles met beekwater werd schoongespoeld, zou de naam ‘stinkbeek’ ontstaan zijn. Meerdink wijst erop dat Willem Peletier in Groeten uit Winterswijk bij zadelmakerij Weenink, Weurden 21 vermeldt: ‘Alhoewel niet op deze foto voorkomend, wil ik hier toch de huisnummers 17 en 19 noemen, respectievelijk de leerlooierij van Hesselink en idem die van Grevink’.[14] Tevens weet Meerdink te vertellen dat in het dorp en aan de rand ervan langs de Whemerbeek in de 19e eeuw liefst 5 leerlooierijen lagen. Daarom lieten de fabrikanten hun witgoed bleken bij boerderijen in de buurtschappen, zoals Ubbink in Dorpbuurt en Pashuusman in Huppel. Willink had een eigen bleek aan de Boven-Slinge waar nu het strandbad ligt. Meijerink had daar zijn bleek met blekershuis. Daar werd linnen met loog gekookt, in de beek gespoeld en op schone kortgemaaide grasvelden natgehouden om te bleken in de zon. Stroomopwaarts van deze bleekvelden kon dus volgens Meerdink geen looierskoem liggen, want met dat vuile stinkende water kun je geen linnen wassen of bleken.
Wanneer we die plek vergelijken met een kaart uit 2024, zou het in de buurt moeten zijn van de nieuwe ingang van de Museumfabriek en dan natuurlijk aan de overkant van het water. Al liep de beek daar eerder anders, dichter bij de Museumfabriek. Waar nu het gebouw De Koem staat was vaak wateroverlast en werd een nieuwe beek gegraven. (afb. 31)

Afbeelding 31a en b. Zicht richting het noorden vanaf oorspronkelijke bocht in de beek en bij de ingang van de Museumfabriek.
Conclusie
Een definitief antwoord valt niet te geven, sluitend bewijs ontbreekt. Wat betreft de argumenten blijven twee plekken over namelijk de Whemerbeek en Plekenpol. De door Jan Stronks aangewezen locatie aan de Whemerbeek, met de aanvullende argumenten van Stephen van den Brand en Peter Meerdink is – zeker ook omdat het vlak bij Mondriaans huis was en de kerk goed zichtbaar – een plausibele plek. De locatie waar nog veel zichtbare overeenkomsten te vinden zijn, is bij Den Helder en Plekenpol. Desondanks blijven er nog vele vragen open. Dus wie weet komt er ooit een vervolg op dit onderzoek wanneer nieuw bewijsmateriaal gevonden wordt.
Dankwoord
Dit artikel kon alleen geschreven worden dankzij de medewerking aan het onderzoek van de volgende mensen: Guus en Ine Avenarius, Steven van den Brand, Tom en Silke Everding, Bep Godthelp, familie Grijsen, Jan Derk en Jenni Heesen, Vic Hulshof, Luuk Keunen, Bert Klein Poelhuis, Jan Koks, Peter Meerdink, Ineke Mengerink, Chris Nijhof, Bram Obbink, Lud Overkamp, Willem Peletier, Hendrik van Prooije, Leendert van Prooije, Raymund Roos, Rody Schröder, Elli Stammers, Jan Stronks, Sjoerd van de Werf en medewerkers van het Historisch Informatie Punt (HIP) in de Museumfabriek.
Dit artikel is verschenen in Museum Nieuws Winterswijk 196 (2026) 18-31.
Literatuur
Brand, Steven van den, De plantengroei van Winterswijk (Utrecht 1995).
Craandijk, J. en P. A. Schipperus, Wandelingen door Nederland met pen en potlood / [Deel 7] (Haarlem 1884).
Janssen, Hans, Piet Mondriaan. Een nieuwe kunst voor een ongekend leven (2016).
Kadee, Judith, Vic Hulshof en Henk Naaldenberg, Mondriaan fietstocht. Museum Villa Mondriaan (Winterswijk 2020).
Keunen, Luuk, Winterswijkse kastelen (Winterswijk 2024).
Peletier, W. en Museum Vereniging Het, Winterswijkse straatnamen. Betekenissen en achtergronden / Deel 2: De buurtschappen. Natuur, ontginning, bodemgebruik, molens, onderwijs, grens en verkeer (IJzerlo 2016).
Peletier, Willem, Groeten uit Winterswijk (Winterswijk 1992).
Rens, Annemiek en Wietse Coppes, Inventaris van het archief van Robert P. Welsh (1932-2000). Kunsthistoricus 1958-1959, 1962-2000, 2002-2003 en Gedeponeerd archief betreffende Jan Toorop 1908-1910 en 1919, RKD (Den Haag 2008-2010).
Welsh, Robert P., Piet Mondrian’s early career. The “naturalistic” periods (New York en Londen 1977).
Welsh, Robert P., Piet Mondrian. Catalogue raisonné. I (Blaricum, Paris 1998).
Werf, Sjoerd van der, ‘Serie artikelen over de schoorstenen in Winterswijk’, Freriks Nieuws (1996) Nummers 79 t/m 83,
Voetnoten
[1] Annemiek Rens en Wietse Coppes, Inventaris van het archief van Robert P. Welsh (1932-2000). Kunsthistoricus 1958-1959, 1962-2000, 2002-2003 en Gedeponeerd archief betreffende Jan Toorop 1908-1910 en 1919, RKD (Den Haag 2008-2010); Robert P. Welsh, Piet Mondrian’s early career. The “naturalistic” periods (New York en Londen 1977) 177.
[2] Robert P. Welsh, Piet Mondrian. Catalogue raisonné. I (Blaricum, Paris 1998) 19 en 156.
[3] Welsh, Catalogue raisonné. I, 19.
[4] Hans Janssen, Piet Mondriaan. Een nieuwe kunst voor een ongekend leven (2016) 229.
[5] Welsh, Catalogue raisonné. I, 156.
[6] Welsh, Catalogue raisonné. I, 155.
[7] J. Craandijk en P. A. Schipperus, Wandelingen door Nederland met pen en potlood / [Deel 7] (Haarlem 1884) 240.
[8] Sjoerd van der Werf, ‘Serie artikelen over de schoorstenen in Winterswijk’, Freriks Nieuws (1996) aldaar Nummers 79 t/m 83.
[9] Luuk Keunen, Winterswijkse kastelen (Winterswijk 2024) 19-21.
[10] Keunen, Winterswijkse kastelen, 9-10; W. Peletier en Museum Vereniging Het, Winterswijkse straatnamen. Betekenissen en achtergronden / Deel 2: De buurtschappen. Natuur, ontginning, bodemgebruik, molens, onderwijs, grens en verkeer (IJzerlo 2016) 188-189.
[11] Judith Kadee, Vic Hulshof en Henk Naaldenberg, Mondriaan fietstocht. Museum Villa Mondriaan (Winterswijk 2020).
[12] Steven van den Brand, De plantengroei van Winterswijk (Utrecht 1995) 90.
[13] Zie: youtube.com/clip/Ugkx3R8Fza64rFbrLM8JakNQejA1FoliFp8X?si=cCI6lqzP_Rfl8iYs
[14] Willem Peletier, Groeten uit Winterswijk (Winterswijk 1992).

